Negendag 19 monober 202 BT
fragment uit het boek: hoofdstuk 32, blz 214
“Wat is het meest bizarre wat je meemaakt? Wat zijn je raarste klanten?” vroeg hij dus maar.
Ze glimlachte.
“De smuikenlanders.”
“De smuikenlanders?” reageerde Ane, voor het eerst echt verbaasd nu.
Ze keek hem even aan. Kennelijk was ze in een zeldzame bui van praatlustigheid.
“Koningen, presidenten, filmmagnaten, rijke machtige figuren... Ze zoeken dingen die ze in eigen land niet kunnen krijgen...”
Ane keek haar perplex aan.
“Ja, ik mag het eigenlijk niet zeggen, dus zwijg er over. Ik weet dat je dat kunt, zwijgen, dus doe dat ook nu.”
Ze keek hem een kort moment doordringend aan. Hij knikte.
“Het levert ons veel op..., dus het is belangrijk dat je zwijgt...”
“Maar hoe... hoe komen die hier...”
Ze keek hem aan, legde een vinger op haar lippen, maar zei niets.
“Je kunt je vast wel voorstellen hoe preutsen helemaal los gaan als ze eindelijk uit hun beklemmende omgeving los zijn...” zei ze na een poosje.
“Maar…,” bracht Ane uit. Gedachten raasden dusdanig door z’n hoofd dat hij er moeite mee had om ze direct onder woorden te brengen.
Ane slikte. Een zeldzame rilling van bezorgdheid trok door zijn lijf; een gevoel waar hij niet heel bekend mee was.
“Maar is dat niet heel onhygiënisch?” bracht hij uit, “Pas je wel goed op jezelf?”
Ze glimlachte.
“Maak je niet druk. Het voordeel is ook dat we juist daardoor de beste medische zorg van het eiland krijgen. Zij willen ook niet besmet worden met iets. Zelfs als ik wat oploop, dan kom ik nog niet in het Votkot terecht. Wat dat betreft ben ik bevoorrecht.”
“Is het waar dat ze… dat ze helemaal geslenste Slongen hebben? Of dat…,” bracht hij het gesprek maar snel op een ander spoor.
Hij dacht even na. Toen:
“Nee, dat kan natuurlijk niet, ze hebben geen afgehakte Slong, want dan zouden ze niet hier komen…”
Ze glimlachte, en Ane meende een zweem van meewarigheid te herkennen.
“Nou, een flink aantal hebben de sluif er wel van afgehakt…,” zei ze.
Ane was verbijsterd.
“Echt!?”
Ze knikte. Ane probeerde zich voor te stellen hoe het zou zijn. Een rilling voer langs zijn ruggegraat.
“En dat dan ook nog de hele dag tegen de binnenkant van zo’n gniepende broek aan te schuren…,” prevelde hij.
“En is het dan ook waar dat ze jonge soppertjes dichtnaaien?”
“Ja dat weet ik natuurlijk niet,” zei Alina, “als die echt dichtgenaaid zijn komen ze heus niet bij mij langs. Dus het zou best kunnen.”
“Ik geloof het niet. Dan sterven die gniepers toch uiteindelijk uit?” stamelde Ane.
“Hoe verklaar je dan dat ik zelden Smuikenlandse soppers zie? In elk geval verhoudingsgewijs veel minder dan Bonobotopiaanse soppers.”
“Weet ik veel,” mompelde Ane, “het lijkt me zo bizar. Misschien hebben Smuikenlandse Vutten met de paplepel ingegoten gekregen dat seks goor is? Of gevaarlijk?”
Reactie plaatsen
Reacties